Het kroegwezen in Flobecq – deel I.
In mijn vorig traktaat heb ik heel even uw aandacht gevestigd op een fenomeen van uitzonderlijk belang: zeven cafés op minder dan 380 meter van mijn bed. Nu wil ik u kwistig trakteren op een uitvoeriger betoog over het kroegwezen in mijn gemeente.
Het cafébezoek in Flobecq gaat teloor[1], en dat verontrust me, want in die achteruitgang weerspiegelt zich een onafwendbaar maatschappelijk verval. Weinig volk in het café betekent een te verwaarlozen inkomen voor de baas. Hoe armer de baas wordt, hoe chagrijniger hij van zijn klanten een directe betaling eist. De klant die niet meer op krediet mag drinken, vertikt het zijn openstaande poef nog te gaan afbetalen, en blijft verbitterd weg. Er staat langs om minder vrolijk volk aan de toog, en dus komt er langs om minder goed volk binnen. De baas belandt in staat van behoeftigheid. Zijn krot verkommert en vervalt. Een zeldzame verzopen eenzaat strompelt nog eens over de drempel, per abuis, of om te plassen. En dan doen de laatste triestige planten schimmig hun intrede: de grimmige deurwaarders met hun norse trawanten en een verveelde champetter. De schaarse inboedel en de luizige rotzooi[2] van het café worden op een open camion gegooid en naar het stort gevoerd. Het café wordt gesloten.
Het is een immer voortsluipend proces: cafés houden op te bestaan[3]. Dat is fataal voor het land, funest voor het volk. Een land zonder kroegen wordt onherbergzaam; een volk zonder drank verliest zijn beschaving.
Toen ik hier in juli 2003[4] kwam wonen was ik ontsteld door het schuimend kroegleven. Op maandag om 8 uur waren er in Le Royal al een aanzienlijk aantal tooghangers. Een uur later ging Café des Sports open, en in minder dan vijf minuten kon Cyriel daar al het glas spoelen van de eerste Rodenbach die hij op de gezondheid van een of andere klant had mogen drinken. Om vijf voor tien stonden er aan de deur van de Bavik Pub al drie, vier doppers verveeld te zeuren over het weer, en te zagen dat het godgeklaagd is dat de baas van dat café pas om tien uur begint te werken - en toch met een BMW rijdt. (De openingsuren van l’Alibi waren onderhevig aan de grillen en grollen van Cathérine. Van Le Goupil en van Le Salon du Centre herinner ik mij alleen het sluitingsuur, en dan nog zeer vaag. Au Val d’Ancre werd om 11 uur geopend, officieel tenminste. Ik weet niet of het juist is; op dat uur was ik doorgaans elders.)
Ja, het caféleven in Flobecq floreerde, de eerste jaren dat ik er woonde! En nu? Triestig is het, deprimerend! De deuren van de cafés gaan ’s morgens later open dan de poort van het kerkhof. Ze gaan kort na de middag toe voor een onverdiende rust van de patron of de patronne. ’s Avonds, zelfs op vrijdag, geeuwen de cafébazen om 7 uur al van verveling hun laatste paar klanten buiten. Deprimerend is het, triestig! Hoe kunnen wij, goedmenende buitenstaanders, dat enigszins verhelpen? Misschien moeten we een stimulerend steunfonds oprichten, iets als een Vereniging ter Bevordering van het Vloesbergse Kroegwezen. Wat denkt u? Doet u mee? In welk café spreken we af? De Bavik?
[1] In de rest van Europa ook, maar dat is minder erg.
[2] Een wijze cafébaas heeft de betere brokken dan al lang veilig verborgen.
[3] In Sprakeloos stelde Tom Lanoye vast dat van de Zeven cafés in de Elisabethwijk in Sint-Niklaas er nog maar één is overgebleven – De Standaard 15 oktober 2010, p. D4 - http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=V930RJUE )
[4] Het was een godsgruwelijk hete zomer. Ik kon onmogelijk in mijn appartement blijven - zelfs niet indien ik dat had gewild.